Wat lange tijd als een toekomstscenario werd beschouwd, wordt steeds zichtbaarder en voelbaarder, ook dichtbij huis.
Uit meerdere Europese landen krijgen we nieuwsberichten over grote en ingrijpende bosbranden, waarbij langdurige hitte en droogte de omstandigheden voor natuurbranden steeds gunstiger maken. Maar ook voor aanvang van de zomer hadden we te maken met uitersten. Juni 2026 was wereldwijd de op één na warmste juni ooit gemeten en we hebben te maken met een van de warmste eerste halfjaren ooit. Ook de oceanen bereikten opnieuw recordtemperaturen. De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) verwacht dat de gemiddelde mondiale temperatuur in de periode 2026-2030 tussen 1,3 en 1,9 graden boven het pre-industriële niveau zal liggen en acht de kans groot dat opnieuw temperatuurrecords worden gebroken. Laat je parasol dus nog maar even staan.
We worden steeds vaker geconfronteerd met de gevolgen van klimaatverandering: extreme hitte, natuurbranden en toenemende druk op ecosystemen. De biodiversiteitscrisis versnelt; volgens IPBES worden circa één miljoen planten- en diersoorten met uitsterven bedreigd en het WWF rapporteert een sterke afname van populaties wilde gewervelde dieren sinds 1970. Zelfs veiligheidsdiensten zoals MI6 waarschuwen dat het verlies van biodiversiteit en ecosystemen een risico vormt voor mondiale stabiliteit. Tegelijkertijd groeit de wetenschappelijke zorg over een mogelijke verzwakking van de Atlantische oceaancirculatie (AMOC), met grote gevolgen voor klimaat, landbouw en zeespiegelstijging. Het feit dat zulke scenario's inmiddels serieus onderdeel zijn van wetenschappelijke risicoanalyses zou ons meer zorgen moeten baren dan het doet.
Des te opmerkelijker is het dat de Europese Commissie juist nu besluit om de industrie meer tijd te geven om te verduurzamen. Uitstel verandert namelijk niets aan de rekening. Het verschuift die alleen naar later en maakt haar groter. De natuur kent immers geen uitstelregeling of pauzeknop.
Denkers als Kees Klomp wijzen er terecht op dat economie geen doel op zich is, maar een middel om brede welvaart mogelijk te maken. Een economie die haar natuurlijke fundament ondermijnt, vernietigt haar eigen verdienvermogen. Terwijl de signalen van klimaatverandering steeds zichtbaarder worden, geven we onszelf steeds meer tijd om erop te reageren. Alsof de brand minder heet wordt wanneer we besluiten morgen pas te blussen.
Klimaatverandering is geen op zichzelf staand milieuprobleem. Het is een economisch probleem. De vraag is niet óf klimaatverandering de economie raakt, maar hoeveel schade we nog bereid zijn te accepteren. Verduurzaming is daarmee geen ideologisch project, maar een kwestie van gezond economisch verstand. Want wie pleit voor een snelle energietransitie, circulaire productie en natuurherstel, pleit juist voor risicobeperking, innovatie en economische stabiliteit op de lange termijn. Elke euro die vandaag wordt geïnvesteerd in verduurzaming voorkomt een veelvoud aan toekomstige schade. Voorkomen is beter dan genezen, nietwaar?
Gelukkig zien we dat dit besef in onze sector wél langzaamaan zichtbaar wordt. Misschien wel het meest veelzeggend is dat juist verzekeraars, immers organisaties die hun bestaan ontlenen aan het inschatten van risico's, hun klimaatbeleid de afgelopen jaren verder hebben aangescherpt. a.s.r. spreekt in zijn Klimaattransitieplan openlijk over klimaatverandering als een materieel financieel risico. Andere grote verzekeraars passen hun beleggingsbeleid aan, bouwen investeringen in fossiele activiteiten af en waarschuwen dat delen van de samenleving op termijn steeds moeilijker verzekerbaar worden. Dat is geen activisme, maar risicomanagement. Wanneer de sector die als geen ander toekomstige schade in geld kan uitdrukken concludeert dat verduurzaming noodzakelijk is, zouden politici dat minstens zo serieus moeten nemen.
De vraag is daarom niet hoe we verduurzaming gaan betalen. De echte vraag is of we ons nog langer uitstel kunnen veroorloven.
